Verhalenlezen.nl - Voor al uw verhalen en sprookjes. Ook hebben we liefdes verhalen en erotische verhalen.

La Citta D Argento.

U leest om dit moment het verhaal La Citta D Argento gepost door ILONA. Dit verhaal is gepost in de categorie spannende verhalen. Wilt u een zelf geschreven, of een mooi verhaaltje posten? Klik daarvoor hier.

Wilt u terug naar spannende verhalen?
Categorie: spannende verhalen
Gepost door: ILONA
Gepost op: 2009-2-15

Verhaal:

La Citta D Argento
UNO.
- Zwarte krullen *arricciature del nero*

Een schelle maar luide bel galmt door de straten van La Città D’argento, oftewel de zilveren stad. Als geschrokken sluiten alle houten luiken en deuren met een krakend en piepend geluid; vanaf nu vertoont geen mens zich nog in een van de nauwe en donkere steegjes. Het schemert, en de volle maan is het enige dat de duisternis verminderd, de duisternis waarvoor de bewoners van deze welvarende stad als de dood voor zijn. Het is muisstil, en een voor een worden de lichtgevende kaarsen in de huizen uit geblazen, de stad drinkt het nachtelijke zwart tot je geen hand voor ogen meer kan zien.
Toch hoor je hier en daar nog wat geschuifel. Een paar vogels vliegen verschrikt op, en een donker gedaante gehuld in een zwarte mantel nadert het stadhuis. Hij klopt een paar keer tegen de zware eikenhouten deur en fluistert een paar onverstaanbare woorden door het sleutelgat. Met een doffe dreun opent de deur.

“Mi bambino!* Wat doe je zo laat nog op straat, je weet dat dat verboden is. De avond klok heeft al geklonken, je hebt het toch gehoord?” Het is een oude monnik die spreekt, broeder Fazzio. Hij heeft het gerimpelde gezicht van een uitgedroogde pruim, en de paar haren die zijn hoofd bedekken steken fel wit af tegen zijn donkere monniken- gewaad. Toch glinsteren in zijn ogen nog de jeugd en het heldere verleden van een gezonde jonge man. Deze ogen kijken de in de mantel gehulde jongen genaamd Tomasso nu bezorgd aan. Tomasso schudt zijn mantel af, en nu kan je zijn gestalte duidelijk zien.
Hij is slank gebouwd en hij heeft bruine haren die zijn jongensachtige gezicht omlijsten. Voor zijn leeftijd is hij wonderbaarlijk sterk, je kunt aan de vorm van zijn kleding de gespierde armen en borst zien. Hij is zeker niet lelijk, en je zou zijn leeftijd schatten op zo’n zestien jaar.
Tomasso let niet op de oude man en lacht alleen maar.
“Silvano Esperanza wilde mij spreken, is het niet?” Fazzio zucht en schud zijn hoofd. “De burgemeester is nu druk, maar wacht voor zijn kamer. Waar hij je ook voor wilt spreken, beschouw je taak niet als een plicht, je mag weigeren.” Weer lacht de jongen, dit keer een beetje spottend. “Ach broeder, waarom weigeren, het verdiend goed en ik heb niks beters te doen!” Vervolgens loopt hij met ferme passen richting de aangewezen trap. Hij hoort Fazzio nog iets mompelen over ‘zo jong’ en ‘onverantwoordelijk’. Dan sterft het geluid weg en staat hij voor de deur van de burgemeester van La Città d’Argento.

Silvano is een aardige man, maar toch blijft Tomasso zich niet op zijn gemak voelen in zijn kantoor kamer. Niet dat hij bang is voor zijn taak, maar hij, een arme straatjongen die een gewichtig en belangrijk man als hij mag spreken? Dat is niet niks. Het is niet de eerste keer dat hij bij de burgemeester op de stoep word geroepen, Tomasso beschikt over vele talenten die goed gebruikt kunnen worden, hij is eigenlijk dan ook niet zo arm.
De stilte op de lange gang wordt verstoord door de stem van Silvano: “Tomasso?” Hij opent de zware deur, en daar zit de belangrijke man voor hem aan een houten bureau in een goed ingerichte kamer. Hij heeft zijn adviseur weg gestuurd en de twee zijn alleen in de kamer.
“Ah! eindelijk, daar ben je.” Silvano lijkt wel erg opgelucht, er is vast iets ergs gebeurd, meestal komt Tomasso niet echt op het goede moment binnen, dan is de burgemeester bezig met belasting ofzo. Daar bemoeit hij zich liever niet mee. “U had me dringend nodig?” zegt Tomasso met een scheve glimlach. “Ja, en ik zal er geen doekjes om winden. Je weet waar deze stad zijn verdediging vandaan heeft, toch?” Dat weet hij zeker, tenminste, hij heeft er wel eens wat over opgevangen.

La Città D’Argento heeft net als de grote stad Venetië, in plaats van straten, diepe grachten en kanalen waar overdag gondels als vervoermiddel dienen. Veel steden zijn jaloers op de handel die zo vlot gaat in de zilveren stad, en zij sturen krachtige legers om de stad in te nemen. Maar geen enkel leger heeft ooit nog zo ver kunnen komen, want in het langste kanaal, Canal Grande, die ook door Venetië heen kronkelt, zit een onbeschrijflijke magische nevel. Uit deze mist, beweert men, die alleen ’s nachts te zien is over het kanaal, put de zilveren stad zijn kracht.
“Canal Grande.” Is dus het enige wat hij hierop antwoord, en dat is voor de wijze burgemeester genoeg.
“En je weet ook dat Etiopiä van plan is ons aan te vallen?” Tomasso schrikt. “Nee!”
“Wel, dat zijn ze van plan, dat hebben we tenminste vernomen, en zij hebben ook een magisch wapen... “ Hij stopt even voor het dramatische effect. “... Guasto.” Guasto betekent Dood, alleen de Etiopiärs beschikken over Guasto, een leger bestaande uit de gevreesde ondoden, of wat dat dan ook mag betekenen. Meer weet Tomasso er niet van, maar er doen veel geruchten hierover de ronde. “De Etiopiärs zijn niet dom, ze weten dat onze bron krachtiger is dan de hunne, en dus hebben ze op de een of andere manier de onze verzwakt, uitgeput. En jij gaat uitzoeken hoe dit komt, en je krijgt hulp en meer informatie van je partner, dus wees niet bang.” Hij legt een oude afgeraffelde kaart neer op de tafel en wijst naar een lijst met namen. “Dit zijn huizen die je moet onderzoeken, er verschuilen zich overal spionnen van Etiopiä in deze stad.” Tomasso knikt, hij begrijpt het. “En hoe weet ik wanneer ik een schuldige heb gevonden?” Silvano kijkt hem met een doordringende blik aan. “Hij zal waarschijnlijk Ondoden in zijn Casa* verbergen.. Felucia, degene die ik heb aangewezen om je te helpen, zal je meer vertellen.”

Nu is Tomasso wel verbaasd, wie is Felucia? Hij heeft nog nooit eerder hulp nódig gehad? Wie denkt de burgemeester wel dat- ie is? Hij, Tomasso de Spada Grande, heeft al veel opdrachten uitgevoerd, zónder húlp! Net op het moment dat hij dit alles wil vertellen aan Silvano, gaat de deur met een luid gekraak weer open. In de deuropening staat Monnik Fezzio, hij kijkt wat beteuterd en dan hoort Tomasso een luid gestamp en getier. Daar komt een meisje binnen, met een gezicht zo vol van kwaadheid dat hij er even van schrikt.
Vanuit zijn ooghoeken ziet hij dat Silvano ook even schrikt, maar hij hersteld zich gauw. Hij is immers een gewichtig man.
“Vader! Wat heeft dit allemaal te beteken? Ik zei toch, na de avondklok begint de nacht, en wat doe je in de nacht?” Ze verwacht duidelijk geen antwoord en gaat snel verder. “Slapen papa! Je bent burgemeester maar je kan dàt nog niet eens volbrengen, en geen nachtelijk bezoek meer, dat had je beloofd!” Silvano zwelt op en zet een paar felle passen in de richting van het meisje, die blijkbaar zijn dochter is. “Felucia, dit is belangrijk, en jij bemoeit je met dit soort zaken overdag. Je verstoord mijn gesprek en je kunt je zo niet vertonen met zulk gezelschap in je buurt.” Hij gebaart even richting Tomasso die met open mond toekijkt. “Ga slapen, nu!” Maar Felucia verzet geen voet en blijft staan waar ze staat.
Silvano had gelijk over de kleren van het meisje, ze draagt een lange (waarschijnlijk) dure zijden nacht japon, ze loopt op blote voeten en haar zwarte krullen hangen verwilderd rond haar gezicht als een soort zwarte cape die tot ver in haar rug eindigt. Ondanks dit alles moet hij bekennen dat hij die zwarte wilde haardos wel mooi vind, en die felle houding wel aandoenlijk.
“Slapen? Slapen! Ik làg te slapen, tot dat ik die jongen aan hoorde komen. Ik dacht dat er een inbreker was en ik heb die monnik keihard voor zijn kop geslagen met deze kandelaar..” Ze lift haar arm een beetje op en daarin houd ze een stuk metaal vast met een gedoofde kaars erin. Daarom keek Fezzio zo bedonderd! En inderdaad, hij ontdekt op het hoofd van de monnik een kleine, blauwe bult. Niet moeilijk te onderscheiden met de weinig haren.

Plots schiet Tomasso in de lach. Hij schatert het uit en dan moet Felucia ook even grinnikken, vervolgens proest ze het ook uit. Samen lachen ze en de twee volwassenen kijken hen met vreemde gezichten aan.

DUE.
- Bloeddorst van de Nacht *sete di anima della notte*

“Dus jij bent Felucia hè?” Tomasso kijkt het meisje aan met een scheve grijns. Ze heeft haar zwarte krullen opgestoken in een knot en af en toe springt er een plukje voor haar gezicht. Na de wilde ontmoeting tussen de twee was de dochter van Silvano in haar kleren geschoten en was samen met Tomasso naar buiten gegaan op bevel van ‘Meneer Esperanza’. Zij is zijn partner voor deze opdracht, en zo verkeerd lijkt een hulp nou eigenlijk ook weer niet. Het is veel gezelliger. Silvano had gezegd dat de twee vannacht even konden gaan bijpraten en morgen zouden ze moeten beginnen. Nu lopen ze dus langs Canal Grande in de donkere nacht, vlak bij het stadhuis, waar de inmiddels zwakke nevel laag boven de grond het zicht vermindert.
“Ja, en jij bent van de Del Spada Grande familie, nietwaar?” Ze kijkt hem niet aan en loopt gewoon door, wetend dat Tomasso háár zal volgen in plaats van andersom. Ze voelt zich zeker heel wat, de dochter van Burgemeester La Città D’Argento Silvano Esperanza. Als hij maar mag leiden tijdens de opdracht.
“Je weet zeker alles van me, aangezien je de dochter bent van de burgemeester.” Hij kan de lichte spot in zijn stem niet verdoezelen, en Felucia antwoordt niet op zijn vraag. “Mooie naam heb je Tomasso, het betekent..”
“Groot Zwaard.” Vult hij aan, de trots klinkt door in zijn stem. Waarop hij verder gaat: ”En jou naam betekent Vertrouwen.” Felucia glimlacht. Eindelijk, zucht Tomasso.
“Dat is mijn voornaam, mijn achternaam betekent Hoop.”
“En wat weet je van De Nevel?” Als reactie beweegt ze haar hand door de witte mist, maar er komt geen beweging in de laaghangende nevel.
“Hieruit put La Città D’Argento zijn kracht om zich te verdedigen..”
“Nee, denk je werkelijk? Dat weet iedereen, maar je moet meer weten.”
“Oké dan, aangezien we elkaar moeten kunnen vertrouwen..” Ze stopt even en lijkt met haar grote grijze ogen zijn ziel te doorboren. Tomasso slikt.
“De Nevel was er niet altijd, weet je. Volgens de legende was hij er duizenden jaren geleden nog niet, maar werd de stad jaar na jaar telkens bezet of ingenomen door een ander leger, en de energie van de stad raakte uitgeput. De meerminnen die zouden leven in de kanalen verzwakten en Dio Dell'acqua, de God van het water die leefde in Ventië schonk zijn broeder stad een kracht, zo overweldigend en mooi als de overheersende dag, en zo gevaarlijk voor de buitenstaanders als de nacht kan zijn.”
Er loopt een rilling over Tomasso’s rug. De nacht die nu over de stad ligt krijgt opeens een hele andere betekenis.
“De Nevel was de redding van de stad, maar ook moeilijk te temmen.”
Tomasso kent dit stukje en vult haar zin aan: “Hij kon ook voor de bewoners van de stad gevaarlijk zijn, en daarom moesten ze een plan bedenken.”
“Juist, en het enige waar de Nevel niet bestand tegen is, is Il colpevole guasto, de onschuldige dood. Elke 5 jaar moest de raad tien onschuldige mensen vermoorden en in Canal Grande gooien.” Tomasso schrikt. “Maar dan moet dit water vol zitten met lijken en beenderen!”
“Nee, je vergist je. Als je de onschuldige lijken in het water van dit Canal gooide op het juiste tijdstip, verdwenen ze zodra ze het water aanraakten. Niemand heeft ooit de vele lijken gevonden...”
“Doet de stad dit nog steeds?”
Felucia haalt haar schouders op.
“En wat gebeurd er als je teveel onschuldigen in het Canal Grande gooit? Of op het verkeerde moment? Of..”
“Zoals ik al zei, De Nevel kan niet tegen onschuldige dood binnen de stad, dan verzwakt hij.”
“Maar er vinden weleens gewoon moorden plaats in La Città D’Argento, dàn verzwakt de Nevel toch niet?”
“Sommige mensen zeggen dat de onschuldigen alleen als offer kunnen worden gedood als een Vampiro ze vermoord....”
Nu schiet Tomasso in de lach. Vampieren zijn fabels! Dat weet toch iedereen, maar Felucia gelooft er blijkbaar nog in. Ze kijkt strak voor zich uit, en reageert niet op zijn gelach.
“Het begint al licht te worden Tomasso, ik ga nog wat slapen, misschien is het verstandig als jij ook nog wat uit de nacht haalt. Morgen om kwart voor twaalf
’s middags spreken we af op het dak van het stadhuis. Zie je dan.” Ze loopt al weer richting het stadhuis, Tomasso verbouwereerd achterlatend. Het ziet ernaar uit dat zij de touwtjes in handen begint te krijgen. Maar ze weet ook zoveel meer dan hij! En wat doet ze nou stoer: op het dàk van het stadhuis! Hij kijkt omhoog naar het vijf verdiepingen hoge gebouw. Nou ja, hij ziet wel.
Hij schopt nijdig tegen een steentje en loopt richting zijn verblijf: Een klein kamertje in Palazzo Montalto, waar zijn vader werkt als kok.

*
Als Felucia haar vertrouwde kamer binnen treed en tussen de lakens kruipt, kan ze de slaap maar moeilijk vatten. De zinnen van Tomasso galmen na in haar hoofd: “Doet de stad dit nog steeds?” Ze had haar schouders opgehaald, een : ik weet het niet naar hem toe geworpen. Maar diep in haar hart weet ze het eigenlijk wel. Maar de waarheid is te hard om onder ogen te zien, en ze heeft de onthullende herinnering onbewust ver in haar achterhoofd gestopt. Maar onder al die lagen stof ligt hij er nog wel, maar hij is te pijnlijk. Haar hart heeft al eens gebloed, het werd haar bijna fataal. Die fout zal ze niet nog eens begaan.
Haar vader is niet de persoon wie hij lijkt te zijn. Hij is ook maar een mens! Hij heeft zwaktes, neigingen, een duister verleden.. Een duister verleden dat door die verdomde Etiopiärs met hun Guasto weer dreigt naar boven te komen. Het mag zich niet herhalen! Ze moet voorkomen dat haar vader niet weer zijn en haar leven op het spel zet, hij moet. Zij moet, hij mag niet...
Haar gedachten lopen kris kras door elkaar en haar hoofd dreigt over te lopen wanneer ze dat eindelijk verder onderuit zakt in haar warme, zachte lakens. En dieper zakt ze weg, dieper.. Tot ze valt in een onrustige maar diepe slaap.

Hard gebonk op de eikenhouten achterdeur van het stadhuis dat leidt naar de woning van de familie Esperanza verstoord de stilte van de ochtend. Het is elf uur bijna, en niet veel mensen bezoeken Silvano Esperanza op dat tijdstip. Felucia werkt haar laatste hap van haar boterham naar binnen en haast zich naar de deur. Als ze deze opentrekt ziet ze daar Giovanni staan, haar vriendje. Ze heeft hem al een tijdje niet meer gezien, zijn vader werkt bij de handel en Giovanni moest mee met zijn vader op zakenreis. Het is al een jaar geleden. Eerlijk gezegd is ze na die lange tijd niet meer zo vol liefde over hem, ze is ouder geworden, tenslotte is ze nu al zestien jaar, en hij vijftien. Zo’n leeftijdsverschil vind ze nu toch niet meer kunnen.
Silvano is tegen het feit dat zijn dochter er relaties op na houd. Hij zegt dat mensen je kunnen nemen alleen voor het geld, de luxe of juist de naam. Toen had Felucia hem niet geloofd: Wie doet er nou zoiets?
“Hallo mi bella!”
“Giovanni! Het is een lange tijd geleden geweest sinds ik je zag!” Giovanni is inderdaad veranderd, zijn steile haar heeft slag gekregen, het pluist een beetje met dit weer. Zijn armen zijn in verhouding langer, en hij is wat vermagerd. Verder is zijn gezicht nog net zo olijk als toen.
En hij is nog net zo onvoorspelbaar.
Hij drukt Felucia met een ruk dichterbij en ze omhelzen elkaar. Dan tilt Giovanni haar hoofd op en drukt zijn lippen tegen de hare. Haar hoofd tintelt en ze voelt zich week worden. Hij heeft haar voorheen altijd alleen maar onschuldige kussen gegeven, dit had ze nooit van hem verwacht! Met knikkende knieën zet ze een stap achteruit, en bekijkt hem van een afstandje.
“Je bent veranderd!” zucht ze in een ademtocht.
Giovanni ziet dat ze verbaasd is en hij grijnst.

De kerkklok slaat twaalf keer als Tomasso boven is gekomen. Hij zucht en steunt, wat een moeite voor maar een domme afspraak. Gelukkig staat hij dan nu eindelijk op dat verrekte stadhuis- dak. Maar dat ging niet zomaar, via een trap kon hij tot de tweede verdieping klimmen waar hij zich vasthield aan een raamkozijn. Raamkozijn na raamkozijn liep hij zijwaarts lang het gebouw, het was een wonder dat niemand hem zag! Toen kwam hij bij een stevige klimop terecht die helemaal omhoog leidde, via die plant klom hij omhoog en het laatste stuk hees hij zichzelf op aan een zolder raampje tot een schuin afdakje helemaal op de top van het stadhuis.
Hij glijd van het afdakje en land met beide benen op de grond, of beter gezegd, met beide benen op het dak. Maar hij kan nergens een glimp opvangen van roetzwarte krullen en met donkere wimpers omlijstte grijze ogen. Ze zal toch wel komen hè? Hij word gek als hij al die moeite voor niks heeft gedaan.
Op dat moment verschijnt er uit een luikje een zwarte kruin, dan een gezicht met de bekende grote grijze ogen, en vervolgens de complete Felucia, gehuld in haar zondagse jurk. Een groene stof afgezet met drie robijnen in de hals. Tomasso zucht. Hij kan ook niet vergeten dat Felucia een rijkeluis dochtertje is. Naast haar loopt hij rond in armzalige vodden. Het geld dat hij verdiend met de opdrachten van meneer Esperanzo geeft hij aan zijn vader uit en voor eten.
“Wat ben je laat!” roept hij dus. Tot zijn verbazing krijgt de altijd felle Felucia een rode kleur op haar wangen. Nu snapt Tomasso er niks meer van, heeft hij haar nu zojuist in verlegenheid gebracht? Hij loopt naar haar toe.
“Waar was je?”
“Ehm.. ik eh, heb een oude bekende terug gezien. Dat nam meer tijd in beslag dan ik kon voorzien. Het spijt me.”
Het spijt me? Bood ze nou net haar excuses aan, aan hèm? Nou ja, hij zal niet klagen.
“Wie was die oude bekende?”
“Die ken je toch niet, een eh.. soort vriend.”
“Je vriendje?” Tomasso trekt zijn ene wenkbrauw ongemerkt op, borrelt daar iets van jaloezie in hem op? Nee. Maar tot zijn ongenoegen antwoord Felucia niet, wat zijn stelling bevestigd.
Dan kan Felucia zich niet meer inhouden. “Ik heb zojuist mijn eerste zoen gehad van hem, het was zo geweldig, zoiets heb ik nog nooit ervaren! Jij wel dan?” Met stralende ogen kijkt ze hem vragend aan. Tomasso zegt niet dat hij al wel vaker een meisje heeft gekust, maar hij vond er altijd niet echt iets aan. Nooit heeft hij echt iets bijzonders gehad met een ander, hoe kan hij weten dat achter een echte kus liefde schuilt? Zijn eerste zoen was wel spannend, maar voor de rest...
“Nou, niet echt nee.” Antwoordt hij nors. “Laten we maar alvast naar het eerste huis op de lijst gaan..” Felucia merkt zijn jaloezieën niet op en gaat voor.
“Ik ken een gang die van het stadshuis leidt naar alle huizen in La Città D’Argento, volg me.”

Felucia leidt hem naar een kleine houten luik, bedekt met stof en spinnenwebben. Felucia hoest als ze het luik opent. “Lang niet meer gebruikt zeker.” Mompelt Tomasso. Felucia hoort hem niet en kruipt naar binnen. “Segualo* Tomasso!” Ze wenkt hem en gaat alvast voor. Op het luik staat in het hout een tekst gegraveerd, Tomasso bukt om het te kunnen lezen:
Qui vive Sète di anima della notte. *
Hier leeft de bloeddorst van de nacht.*
“Eh, Felucia, weet je wat dit betekent, ‘hier leeft de bloeddorst van de nacht’?” Hij hoort gestommel van Felucia die zich een weg baant door de smalle gang achter het luik.
“Eh nee, volgens mij betekent het niks hoor, kom nou!”
Tomasso kruipt haar dan maar achterna, maar hij kan het akelige gevoel toch niet helemaal verdringen. Wat betekent de bloeddorst van de nacht? Hij wil het niet weten, en stapt door het luik een nauwe, stenen gang binnen.

TRE.
- De Donkere *L'oscurità*

Het is pikkedonker en Tomasso vind zijn weg op de tast met aanwijzingen van zijn voorgangster. Het is meer een soort tunnel, en hij kan niet rechtop lopen, maar moet kruipen. De in het hout gegraveerde zin kan hij maar niet loslaten, qui vive sete di anima della notte. Het zou toch niet waar zijn?
De gang wordt nauwer en nauwer, en Tomasso voelt zich langzamerhand claustrofobisch worden. De stenen wanden omgeven hem helemaal, en ze schuren langs zijn rug, handen en knieën, waarover hij voorwaarts kruipt. Nog steeds wordt het zicht belemmerd door de grauwe duisternis, hij hoort Felucia niet meer kruipen, en zien kan hij haar ook niet. Hij begint zwaarder adem te halen en hij voelt zijn hart kloppen in zijn keel, Als de gang de vorm aanneemt van een lange pijp- gang, grijpt de paniek hem naar de keel. “F.. Felucia?” Hij luistert, maar in godsnaam, hij hoort niets! Hij wilt voor zich tasten met zijn handen, maar hij kan zijn armen niet vooruit strekken, hij.. hij zit vast! “Felucia!” De paniek klinkt door in zijn stem, en eindelijk hoort hij voor hem wat geschuifel. Maar waarom antwoordt ze nou niet? Het ademen wordt hem steeds moeilijker, tot hij hijgt als een uitgeputte hond. Maar het voelt alsof hij nog steeds niet genoeg zuurstof binnenkrijgt. Hij zit vast! De woorden galmen door zijn hoofd, hij zit verdomme vast! En Felucia is weg! Of toch niet?
“Ssssscht... Tomasso.. Je moet fluisteren, ze horen hierboven alles wat we-” Ze stopt als ze hoort dat er iets niet in orde is met Tomasso. “je gaat me niet vertellen dat je claustrofobisch bent!” Sist ze, maar ook zij voelt zich niet op haar gemak. “Nee, ik zit vast!” Daar had ze geen rekening mee gehouden! Tomasso is groter dan zij, en alleen zijzelf heeft deze tunnel ooit kunnen gebruiken.
“Ga liggen!” Sist ze dus, ze wil haar eigen fout niet bekennen. “Eh...” hoort ze Tomasso zeggen. Felucia zucht. Hij zit waarschijnlijk te vast om zich ze bewegen. Maar hoe kan ze hem helpen? De tunnel is smal, en ze probeert zich om te draaien, haar elleboog schuurt tegen de ribbelige wand, maar ze geeft geen kik, en uiteindelijk kan ze hem zien. Paniekerig proberend achteruit te kruipen.
Ze pakt zijn handen die hij nog steeds krampachtig op de grond houd. Tomasso schrikt, ze gaat toch niet... Maar Felucia geeft een harde ruk aan zijn handen en met een klap komt Tomasso met zijn kin op de grond van de tunnel terecht. Hij vloekt binnensmonds. Maar hij ligt nu wel en nu schuifelt hij vooruit op handen en knieën, maar ook op zijn buik. “Eh, bedankt..” Perst hij met moeite tussen lippen door. Hij hoort haar glimlachen, of verbeeldt hij zich dat?
De tunnel wordt van smal steeds groter en opgevenmoment kunnen de twee rechtop lopen. Dan leidt er een trap helemaal naar beneden, waar ze door het donker de weg niet kunnen zien. Tomasso vertrouwd de trap niet, maar Felucia gaat al naar beneden, waarna hij wel moét volgen. Op de tast lopen ze van de treden af, het lijkt een normale stenen trap. Maar wel een erg lange. Het lijkt alsof ze uren lopen.
“Hé, waarom duurt dit zo lang? Deze trap moet toch maar vijf verdiepingen omlaag?”
“Nee joh, hij moet nu wel iets van..” Hij hoort haar zachtjes tellen. “negen verdiepingen..”
“Wat? Gaan we helemaal onder de kanalen door?” Felucia knikt.

Hijgend komen ze uiteindelijk aan bij een houten deur, oud en verwaarloosd. Met een koperen hanger als deurknop opent Tomasso de deur. Voor hen spreidt een lange gang zich uit. Ze horen de echo’s van druppelend water dat via het plafon naar beneden sijpelt. Plasjes water liggen op de betonnen vloer en sommige houten deuren aan de zijkanten van de gang zijn helemaal krom getrokken in hun kozijnen vanwege het hoge vochtgehalte. Een drukkende stilte heerst, maar af en toe word deze onderbroken door gedempte stemmen.
“Dat is vast van de gondels die nu varen over de kanalen, we zitten recht onder ze hè.” Tomasso voelt zich benauwd, wat als het plafon al dat water niet houdt? “Ja, we zitten nu recht onder het Grand Canal. En daar.” Ze wijst een voor een naar de deuren. “Zijn de gangen die leiden naar verschillende huizen. Eigenlijk is er een soort dubbele stad onder La Città D’Argento gebouwd tijdens de oorlogen duizend jaar geleden. Het verzet verschool zich hier voor de leger kampen.”
Op elke deur staat een straatnaam en een nummer gegraveerd. Tomasso haalt de lijst met namen en huizen uit zijn binnenzak van zijn borst vest, en bestudeerd deze.

D’ addinni 43
Casa Alberto 56
Casa Buena 57
Porte Netto 123
Vaquero 78

“Kom, we nemen eerst Porte netto, we zitten nu bij de huisnummers 121. We blijven gewoon dezelfde kant volgen, met de oneven nummers.”
Felucia knikt en loopt alvast voor naar nummer 123. Porte Netto, staat met sierlijke letters op de deurklink gebeiteld.
Felucia voelt zich plots wat minder op haar gemak. Ze heeft vaker deze doorgang onderzocht, maar ze heeft nog nooit eerder in iemands huis ingebroken. Nog nooit had ze hier een levend persoon gezien, wel eens een arme straathond die op sterven lag. Hij had een vreemde diepe scheur in zijn halsje, en Felucia had zo’n medelijden gehad met het arme beestje maar hij was niet meer te redden. Ze vond wel vaker dode dieren hier, die net zo waren opengereten als het hondje. Ze waren vast gevallen ofzo.
Een voor een onderzoeken ze de huizen, maar alles lijkt er rustig. Tot ze een vreemd gejammer horen aan de andere kant van deur Vaquero nummer 78. Het geweeklaag klinkt heel zacht, maar het is duidelijk te horen. Tomasso krimpt ineen. ‘qui vive sete di anima della notte’. Het zou toch niet..? Angstig schuifelt hij achteruit tot hij tegen de natte, grove muur opbotst. Weer hoort hij gejammer aan de andere kant van de deur. Felucia kijkt hem vreemd aan en gniffelt dan.
“Wat?” Fluistert Tomasso, zijn ogen nog steeds gericht op de deur.
“Watje, bang voor wat geluiden? Het is vast een van de huisdieren van de Casa*. We lopen onder de stad, waar mensen wonen, had je soms verwacht dat het hier muisstil zou zijn?” Na deze woorden stapt ze moedig op de deur af en grijpt de verroeste, koperen klink vast.
“Hé, hij zit.. vast.”
“Dat kan toch niet? Elke deur heeft tot nu toe open gestaan.”
Weer trekt ze aan de deurklink en dan zwaait deze met een schurend geluid open, een donkere gang achter de deur wordt nu zichtbaar. Het gejammer verstomd.
“Dat geluid..” Mompelt Tomasso fronsend.
“Welk geluid?” Zegt Felucia spottend. Ze houdt zich wel stoer, maar eigenlijk voelt ze zich toch niet helemaal op haar gemak. Eerlijk gezegd had ze nog nooit zulke geluiden gehoord in deze gangen, zelfs niet onder de altijd drukke herberg. De laag stenen en het water van de grachten die de woningen en de ondergrondse ‘kelders’ waar zij nu in liepen had er altijd voor gezorgd dat het geluid van boven deze ruimten niet kon bereiken.
“Dat bedoel ik! Het is weg.. Alsof hij wist dat wij er waren en zich stil moest houden..”
“Hoe.. hoe weet je of het een mens was, het was vast gewoon een piepende deur, raam of gesijpel van water ofzo.” Ze probeert zichzelf gerust te stellen, maar ze weet dat Tomasso gelijk heeft. Ramen, deuren en water maken deze geluiden niet. God, ze haat het als ze ongelijk heeft. Onderzoekend kijkt ze naar de donkere opening, waar je nog net de schaduwen van treden kunt onderscheiden: een trap die naar boven leidt.
“Kom, we gaan kijken wat dat geluid veroorzaakt. We moeten dat huis toch eens een keer binnen gaan, het staat op de lijst.” Met een vinger prikt ze aanwijzend naar de naam Vaquero 78 op het stuk papier. Tomasso schudt zijn hoofd heftig heen en weer.
“Ik wil niet vervelend doen, maar misschien moeten we daar maar niet naar binnen gaan. Dat geluid.. Misschien moeten we wat .. versterking vragen?”
Felucia rolt met haar ogen en zet haar handen koppig in haar zij. “Kom op zeg, versterking!? Wat ben jij een angsthaas. En als, ik zeg áls er iemand daar zit die problemen heeft of gewond is, dan is dat nog een goede reden om naar binnen te gaan.” Ze propt het papiertje in haar omslag en verdwijnt in de duisternis van de gang, Tomasso verbijsterd achterlatend. Zal hij haar achterna gaan? Natuurlijk moet hij haar achterna gaan! Hij is hier de man, hij moet haar beschermen. Iets zegt hem dat het daarbinnen niet veilig is, en vastberaden stapt hij achter Felucia aan.
“Felucia?”
“Sshhht..” Hoort hij vlak voor hem.
Dan wordt de gang plots een beetje verlicht, een zwakke olielamp hangt aan het plafon en nu kan hij het gezicht van Felucia een beetje zien. Ze kijkt nu lang niet meer zo besluitvol als net, ziet hij daar nou wat angstige trekken in haar gezicht? Tomasso heeft gelijk, de duisternis die de twee omhullen maakt haar toch wat angstig. Maar ze zal zich niet laten kennen! Ze is tenslotte de dochter van de burgemeester..
“Moet ik open doen?” vraagt Tomasso, en ze kijkt hem met grote ogen aan. Hij is eigenlijk verre van een angsthaas, zijn ogen staan totaal niet bang. Was hij misschien echt alleen maar bezorgd om haar? Haar grijze ogen priemen in zijn gezicht en zoeken naar iets dat mogelijke angst verraad, maar ze vind niks.
Beverig knikt ze. “Ja, als je wilt.”
“H.. help.” Horen ze opeens vanaf de andere kant van de deur komen, en de twee vielen bijna van de trap af van schrik. Angstig houden ze hun adem in.
“Help!” Horen ze een trillende mannenstem weer zeggen.
“We moeten naar binnen, die man.. hij lijkt wel..”
“Gewond..” Vult Felucia aan. Tomasso drukt de deurklink omlaag, en zijn hoofd duizelt van wat hij hierbinnen ziet. Hij is binnengestapt in een donkere, betegelde kamer. De vloer is van rottend hout en een klein luik moet doorgang bieden naar het echte huis erboven. Maar dat is niet het gene dat hem deed schrikken. De muren zijn bevlekt met een donkerrode vloeistof, en een rood sleepspoor vanaf het luik leidt naar een bloedende man die kreunend op de grond ligt. Hij heeft een bevlekte blinddoek om waarvanonder bloed sijpelt, zijn handen zitten ook onder en zijn voeten zijn vastgebonden met dikke touwen. Tomasso snelt naar de kreunende man toe, die inmiddels is opgehouden met bewegen en nu levenloos op de koude vloer ligt. Felucia slaat haar hand voor haar mond als ze na hem de kamer binnen komt, maar dat duurt niet lang. Even later knielt ze naast de gewonde man neer en onderzoekt zijn gezicht, de schuldige wond proberend te vinden.
“En?” Vraagt Tomasso bezorgd. Hij heeft de pols van de man gevoeld, en hij leeft nog wel. “Waarom wordt hij niet wakker?”
“Hij is waarschijnlijk flauwgevallen..” Mompelt Felucia, meer tegen zichzelf dan tegen de jongen naast haar.
“Hoe is dat nou weer gebeurd? Ik zie geen wonden.”
“Hij is flauwgevallen van de pijn.. Maar, ik zie ook geen wonden.”
“Wacht!” Sist Tomasso, en Felucia kijkt hem verwachtingsvol aan. Hij frommelt aan de blinddoek van de man en wil deze ervan af binden, maar de doorweekte doek lijkt vast te zitten aan het hoofd van de gewonde man. Felucia geeft een ruk aan de doek en ze hoort een scheurend geluid. Ze slaakt een ijselijke gil als ze ziet wat er onder de blinddoek zit.
“Z.. zijn ogen..” Stamelt Tomasso.
“Welke ogen?” Felucia’s stem trilt en haar handen beven wanneer ze snel de met bloed korsten bedekte doek in een hoek gooit.
“Tomasso?”
“Wat?” Hij kijkt vol afgrijzen naar de lege oogkassen van de man.
“Volgens mij zijn zijn ogen er opzettelijk uitgebrand, zie je de ..” Dan staat ze op en holt de kamer uit haar handen voor haar mons geslagen, Tomasso hoort kots geluiden aan de andere kant van de deur. Na een paar minuten komt ze de kamer weer binnen –met haar ogen de gewonde man ontwijkend- en tikt Tomasso op zijn schouder.
“Zie je de brandwonden in zijn oogkassen? De man wordt gemarteld, we moeten hier weg.”
“Maar we kunnen hem hier toch niet achterlaten? Hij leeft nog!”
Felucia masseert gefrustreerd haar slapen en ijsbeert rond in de kamer, haar hakken galmen door de gangen. Plots grijpt Tomasso haar arm en gebaart dat ze stil moet blijven staan. Nu pas hoort ze stommel geluiden boven haar.
“Iemand komt naar beneden.” Fluistert ze geschrokken, en hij knikt.
“We moeten weg hier, en snel. Pak jij de man zijn armen, dan doe ik zijn benen. We gaan!”
“Maar..”
Het gestommel wordt luider, het geluid van voetstappen komt dichterbij. Tomasso wacht niet op Felucia en tilt de gewonde man op zijn rug.
“We gaan!” Fluistert hij, en loopt zo snel als hij kan de donkere trap af gevolgd door Felucia die haar lunch weer naar boven voelt komen. De twee rennen zo snel ze kunnen weg uit de enge gangen van de ondergrondse tunnels en trekken de gewonde man door de smalle pijp. De vreemdeling in Vaquero 78 zou ze nu niet meer kunnen inhalen.

Gervasio Ferñinando duwt het kleine luik open die leidt naar zijn geheime schuilkelder onder de grachten en kijkt onderzoekend de stenen kamer rond. Hij weet zeker dat hij iets hoorde, iemand was hier. Dan gromt hij boos en perst zich door het luik de kelderkamer binnen.
“Waar ben je Dilano..” Sist hij tussen zijn tanden door en hij balt woedend zijn enorme vuisten. Overmand door kwaadheid stampt hij de touwen waarmee hij Dilano had vastgebonden tegen de grond en slaat met zijn vuisten tegen de bevlekte muur. Vloekend wrijft hij over zijn knokkels als hij merkt dat de stenen muur niet gemaakt is van zijdezacht satijn maar van ruwe bakstenen, als zijn oog valt op een klein propje papier in het midden van de kamer. Overal ziet hij nu voetstappen in het vochtige, rulle, rottende hout dat elk moment kan instorten. Hij herkent gelijk de voetstappen van een jonge edelvrouw en een jongeman, en kijkt rond. Zij moeten Dilano hebben meegenomen. Dan pakt hij het propje op en zijn gezicht vertrekt van woede als hij de woorden leest.
“Silvano Esperanza, u zult boeten. Wacht maar.” Mompelt hij, en kruipt dan weer door het luik naar zijn woonkamer. Het propje papier steekt hij in zijn zak.

De kille avondlucht doet de twee goed, en hijgend liggen Felucia en Tomasso op het stenen dak van het stadhuis. De gewonde man is nog niet bijgekomen en ligt wezenloos tussen ze in, de blinddoek weer door Felucia voor zijn ogen gebonden. ‘Om te zorgen dat hij er geen verdere ontstekingen aan over zou houden’, had ze gezegd, maar Tomasso kon zelf wel bedenken dat ze de aanblik van uitgebrande ogen niet kon uithouden. En hij zou een watje zijn. Toch voelt hij zijn hart roffelen in zijn borst, het was ook zo onwerkelijk wat er was gebeurd.
“Felucia?”
“Ja?” Hij hoort dat ook zij hijgt, maar zij had die zware, volwassen vent toch niet helemaal alleen door de pijp gesleept! Hij wilt opstaan maar zijn spieren kraken zo erg dat hij bang is dat deze zullen breken als hij zich nog meer beweegt.
“Hoe krijgen we deze man naar je vader?”
Ze kreunt en hij ziet door het schemerdonker heen dat ze met haar handen vermoeid door haar zwarte krullen heen strijkt.
“Ik.. ik weet het even niet meer Tomasso..” Het blijft even stil. Dan springt ze plots op en begint verwoed in haar zakken te graaien.
“Wat?” Vraagt hij verbaasd.
“Oh nee hè..” Zucht ze, en ze laat zichzelf weer vallen op het stenen dak, dit keer naast Tomasso.
“Wat?” Herhaalt hij, terwijl hij haar schuin aankijkt.
“De lijst met namen, dat papiertje dat we van mijn vader hadden gekregen.. Ik denk dat ik het heb laten vallen in Vaquero 78.” Haar stem klinkt vast, maar hij ziet haar borst angstig op en neer deinen en hij kan haar kloppende hart haast horen.
“Nee hè, weet je zeker dat het niet in je zakken zit?”
Ze geeft geen antwoordt maar hij kan deze wel raden. Dan pakt ze plots zijn hand en gaat met haar hoofd op zijn borst liggen.
“Ik wist niet dat het zo vreselijk eng zou kunnen zijn, wat gaan we nu doen? Straks vind de ‘martelaar’ van meneer naast ons het papier en dan weet hij dat mijn vader erachter zit en dan... Hij kan gevaarlijk zijn!”
“Hoe kan hij dat nou weer weten, het is gewoon een lijst met namen.”
“Mijn vaders zegel staat op de achterkant.” Felucia knijpt haar ogen dicht en wil niet denken aan wie de oorzaak is van de uitgebrande ogen van de gewonde man. Ze zucht beverig en nestelt zich nog wat dichter tegen Tomasso aan. Ze is nog nooit zo bang geweest.
Tomasso is niet bang, dat gaat ook moeilijk als je niet kan denken. En dat hij niet kan denken is ook best logisch, hij is volledig bedwelmd door de zoete geur van Felucia’s zwarte krullen die zijn kin kriebelen. Hopend dat ze het niet zal merken sluit hij nu ook zijn ogen en geniet van het gevoel dat ze tegen hem aanleunt, dat ze hem vertrouwt.
Hij beseft nu even niet dat ze in echt gevaar verkeren.
Gervasio Ferñinando is niet zomaar een burger, en daar zullen ze snel achter komen.



Aantal keer bekeken: 1647
Waardering: 6.00 op 10
Geef een cijfer:

Alle rechten voorbehouden 2005-2018 - www.verhalenlezen.nl


Verhalen

Wilt u een verhaaltje lezen uit één van de onderstaande categorieën? Klik dan gewoon op een categorie en u komt op de pagina met de verhalen van deze bepaalde categorie.

Verhalen posten

Hebt u zelf een verhaaltje geschreven? Of een onvergetelijke blunder tegengekomen, of iets anders. En je wilt er anderen mee amuseren, lezen? Met verhalenlezen.nl kan dat geen probleem zijn. Klik hier om een verhaal te posten!


Statistieken

Totaal verhalen: 5175
Totaal categorieën: 10
Totaal 4 bezoekers online