Verhalenlezen.nl - Voor al uw verhalen en sprookjes. Ook hebben we liefdes verhalen en erotische verhalen.

Het Judascomplot Hfst 1.

U leest om dit moment het verhaal Het Judascomplot Hfst 1 gepost door Rob Timmermans, Nick Zander en Tom Hoeken. Dit verhaal is gepost in de categorie spannende verhalen. Wilt u een zelf geschreven, of een mooi verhaaltje posten? Klik daarvoor hier.

Wilt u terug naar spannende verhalen?
Categorie: spannende verhalen
Gepost door: Rob Timmermans, Nick Zander en Tom Hoeken
Gepost op: 2010-7-24

Verhaal:

Het Judascomplot Hfst 1
Het Judascomplot

Onvoorziene dreiging


Auteur(s): Rob Timmermans
Co-auteur: Nick Zander
Assistent/ bedenker: Tom Hoeken

*

Een toevalligheid is iets dat zonder aanwijsbare reden gebeurt en maar
af en toe voorkomt…
Een noodlot is een onafwendbare gebeurtenis die vaak niet meer teruggedraaid kan worden…

Maar wat nou als je op een noodlottig toeval stuit?




Hoofdstuk 1

PROTASIUS PHILOXENIA

Zuid-Nederland, provincie Limburg
Zondag, 20 augustus, héél vroeg in de ochtend

Op deze vroege druilerige, natte morgen waarop ons verhaal begint, ligt Anthony nog in bed. Hij slaapt, maar wat hij niet kon weten, was dat, dat niet lang meer zou duren. Hij lag op een zolderkamer, die zich aan de voorzijde van het huis bevond en waarvan het kozijn hem een uitzicht verschafte op de straat die langs hun huis liep.
Opeens schrok hij op van een vreemd geluid en Anthony werd wakker. Hij meende dat hij een bel had gehoord en aan de naderende, bonkende voetstappen beneden hem te horen waren zijn ouders al op, want één van hen of beide, liep naar de voordeur. De voordeur ging met een piepend geluid van oude scharnieren open – en sloot vervolgens weer met hetzelfde hoogst irritante, maar vertrouwende geluid. Wat er volgde was een licht geërgerde grom van zijn vader, die iets mompelde wat veel leek op ‘altijd die rotschoffies’.
Anthony grijnsde van oor tot oor, toen hij de toon hoorde waarop hij het woord ‘rotschoffies’ had uitgesproken en tegelijkertijd stelde hij zich voor hoe zijn vader daarbij gekeken zou hebben. Anthony besefte dat die potentiële rotschoffies maar wat geluk hadden dat ze snel de benen hadden genomen, want als zijn vader hen ook maar één keer in het vizier had gekregen dan…– Hij grijsde nu nog breder bij de gedachte aan wat er na het woordje ‘dan’ allemaal zou kunnen volgen – beslist een hele hoop, zijn vader kennende. Hij rekte zich luidkerels en gewend uit en kwam overeind, maar een duizeligheid beving hem dusdanig dat hij meteen weer ging liggen. Kreunend wreef hij over zijn slapen die bonkten als de hartslag van een paard, zijn benen voelde warm aan en prikkelde, net zoals zijn gehele lichaam ineens aanvoelde. Voor Anthony leek het wel alsof hij alleen maar scheen te bestaan uit puur koolzuur. Zijn lichaam prikkelde uitdagend, maar niet irritant, tot het moment dat hij ineens vlekken voor zijn ogen begon te zien. Bruine, paarse en donkergroene vlekken. Even dacht hij dat hij zou flauwvallen en bleef hij zwaar ademend en met bonzend hart op zijn bed liggen, zijn handen had hij tegen zijn hoofd gedrukt en zijn ogen stijf gesloten. Toen… ineens verdween het weer, maar zijn hartslag sloeg nu echter zó snel en hard dat Anthony dacht dat het eruit wilde springen als het nog harder zou gaan slaan. Het leek wel of zijn bloedvaten een hogesnelheidslijn waren. Zijn bloed kolkte nog steeds als een razende door zijn aderen en het tintelende gevoel verdween niet en even in een angstig moment dacht Anthony dat zijn aderen zouden springen als dit nog langer zou aanhouden.
En opeens was alles verdwenen. Opeens voelde hij zich weer normaal. De tintelingen en al het andere was als sneeuw voor de zon verdwenen.
Anthony zuchtte en kwam enigszins verbaasd overeind, toen hij merkte dat hij niet eens had gezweet, terwijl het toch echt wel zo had aangevoeld. Hij was ook niet flauwgevallen of even weg geweest, zo realiseerde hij zich, want hij wist alles nog goed en had nog kunnen zien, ondanks die vlekken.
Hij had het nu wel in één keer erg warm gekregen! Het leek wel alsof hij een opvlieger kreeg!
Hij stond van zijn bed op, gooide zijn pyjama uit en kleedde zich snel aan. Hij was al voor een verre driekwart gevorderd en was met zijn schoenen bezig en wilde net een strik leggen in zijn linker schoenveters, toen hij een vreemd geluid hoorde…
Meteen sloeg zijn hart op en begon weer te bonken als een zware hamer in zijn hoofd en middenrif. Zijn bloed kolkte als lava door zijn aderen die niet eens meer leken te bestaan. Hij voelde zijn hartslag en de hitte en hij dacht even dat hij flauw zou vallen door het koortsachtiger gevoel dat de warmte met zich meevoerde door zijn lichaam.
Anthony stond perplex en vergat het geluid dat hij had gehoord weer meteen.
Waarom reageerde zijn lichaam zo vreemd, dacht hij, terwijl nu ook zijn nekharen recht overeind stonden dat eigenlijk doorgaans alleen gebeurde wanneer er onheil dreigde.
Dit – dit was anders…
Hij voelde totaal géén angst of bedreiging, hij maakte zich nergens druk over op het moment en er was dus eigenlijk geen aanwijsbare reden voor het vreemde signaal dat zijn lichaam afgaf… Dus wat was er dan?
Alsof zijn vraag gehoord was door de duivel, klonk het ineens opnieuw op uit de ijzige, drukkende stilte die in zijn kamer hing. Haastig schoot hij naar het raam, trachtend de geluidslocatie te kunnen bepalen door naar buiten te hangen vanuit zijn slaapkamerraam. Het was hem direct duidelijk dat het geluid vanbuiten was gekomen, want aan de overkant van de weg stond ineens een vreemd geklede man, althans dat dacht hij, hoewel hij slechts zijn silhouet in de schaduw zag. De man droeg voor zover hij het kon zien een hoed en een lange zwarte regenjas of mantel. Eronder droeg hij waarschijnlijk puntschoenen of laarzen maar daar moest hij om twisten, omdat hij slechts de neuzen van het schoeisel kon zien die vanonder zijn lange kledij nog net zichtbaar waren. Tevens viel het hem ook op, dat de persoon in kwestie dof en afwezig, of juist gefocust en strak voor zich uit staarde. Dit beeld fascineerde hem onmiddellijk en hij tuurde naar de man; alleen dan nieuwsgierig en afwachtend.
Het geluid was gestopt en Anthony merkte dit ook en tuurde even in het rond en zocht naar een verklaring voor het onbekende, eerder onbeschrijfelijke geluid dat hij met niets van alle herkenbare en bestaande geluiden in verband kon brengen. Het geluid was er geweest, maar wat het geluid geweest kon zijn, dát wist hij totaal niet.
In een oogwenk was het geluid er weer en toen niet meer.
Nu bezorgde het geluid Anthony voor het eerst een minirem gevoel van onbehagen omdat hij iets hoorde, maar het niet via zijn gehoor, of via zijn ogen leek te kunnen lokaliseren – iets wat normaal gesproken wél lukte. Na nog een paar minuten, die wel een eeuwigheid leken te duren, daar zo te hebben gestaan, leunend over het kozijn van zijn slaapkamerraam turend naar de vreemdeling die aan de overkant van de straat stond te staren naar iets dat hij niet zag, begon het hem ook wel een beetje te irriteren. Nou, niet dat hij het erg vond dat die man daar stond; dat moest hij helemaal zelf weten. Daar was hij oud en wijs genoeg voor, dacht hij lichtelijk geërgerd en merkte dat zijn belangstelling voor de man net zo snel was verdwenen, als het vreemde geluid dat hij zo-even wel een paar maal gehoord had. ‘Ach, het is vast m’n verbeelding’, mompelde Anthony tegen niemand in het bijzonder. Met een klap deed hij zijn raam dicht, sloot het af en hij had net de deurklink vast om zijn slaapkamer te verlaten om naar beneden te gaan, toen er ineens een felle witblauwe flits als een bliksemschicht de donkere ochtendhemel doorkliefde en die opvulde met een zo’n verbazingwekkende helderheid, dat het wel hartje zomer leek op een middag in het begin van juli. Anthony zijn gezicht verbleekte even in het schijnsel ervan en gaf het een lijkwitte kleur. Hij stond vastgenageld aan de vloer van zijn slaapkamer, toen er plotseling een oorverdovende knal klonk alsof er een meteoriet op het wegdek was ingeslagen! De schokgolf die volgde, zwiepte zijn lichaam als een stuk speelgoed tegen de slaapkamerdeur; even werd hij gewichtsloos opgetild, terwijl de schokgolf onzichtbaar en sneller dan licht of geluid onder hem door rolde alsof het een zeegolf was, om hem vervolgens met een daverende dreun – en het geluid van een vallende postzak – op de grond smakte, waarbij hij nog net half bewust van wat er zich rondom hem heen gebeurde, licht paniekerig, in shock en brabbelend tegen zichzelf, overeind krabbelde en hopend op een goede afloop naar zijn bed waggelde om enigszins bij te komen. Maar in plaats daarvan, raakte hij meteen het besef van tijd kwijt en viel ten prooi aan de inktzwarte duisternis waaraan niet te ontsnappen leek. Daarna verloor hij zijn bewustzijn.
En zoals het voor de ogen van Anthony ineens donker was geworden, zo nam de duisternis onmiddellijk na het verdwijnen van de witblauwe flits weer net zo bezit van de omgeving als voorheen. Het huis leek nog te trillen alsof ze op en trilplaat stond en enkele lantaarnpalen aan het einde van de straat, knipperde snel zoals een op toeren komende chronoscoop. Er volgde nog eenmaal een zeer korte schok, die weer echter te kort is voor een naschok van een aardbeving te worden genoemd, maar toch ook weer te lang duurde om het weer niet te kunnen voelen of zien aan de omgeving…
Haast onmiddellijk als reactie op de schok die alles deed schudden, schenen vrijwel alle lantaarnpalen die deze straat bezat, het ineens moeilijk te hebben en begonnen te flakkeren in de ochtendschemer. Toen vielen ze allemaal tegelijkertijd uit, alsof iemand van de gemeente met één druk op de knop het licht in de straat had uitgeschakeld.
Eenmaal had het huis nog op zijn gevest gesidderd alsof het ergens bang voor was; ergens anders, waarschijnlijk op het eind van de straat, vielen metalen vuilnisbakken om, blafte een hond wakend over zijn territorium en gromde hier opvolgend diep en monotoon; weer verderop siste een zwarte kat gemeen en schoot aan de kant van de t-splitsing razendsnel en haast onzichtbaar in de duisternis van deze vroege ochtend de straat over, om vervolgens weer op te duiken bij één van de laatst overgebleven straatlantaarns die na de laatste schok nog brandde: de lantaarnpaal op het trottoir van het huis van Anthony en zijn ouders. De lantaarnpaal aan de overkant, brandde echter ook nog steeds en leek nergens last van te hebben gehad en wierp zijn gloed in een grote vaag gele cirkel van licht op de stoep en bescheen ook nog een gedeelte van de straatkant, waardoor het natgeregende asfalt opblonk en wel bezet leek te zijn met minuscule piepkleine glinsterende kristallen die slechts de miljoenen regendruppels waren, die in de aanhoudende regenbui van de afgelopen dagen over de omgeving geloosd waren. Terwijl Anthony bewusteloos op zijn bed lag, verscheen er opeens een andere gedaante op de hoek van de straat.
Hij scheen echter totaal niet te beseffen, dat hij in een oogwenk in een wereld gearriveerd was waar – als het al daglicht was geweest – hij zich vast een stuk meer bekeken had gevoeld, dan dat goed voor hem of zijn hart was. Niet dat de mensen voor abnormale kledij of vreemde kapsels terugdeinsden hoor, want in de 21ste eeuw, de moderne wereld zoals zij die noemen, waren ze inmiddels wel al aan héél wat gewend. Maar desondanks, hadden ze vast even vreemd opgekeken wanneer ze hem voorbij hadden zien lopen. De oude man was lang, mager en had een erg vermagerd en ingevallen gezicht, waardoor zijn donkere smaragdgroene ogen je vanaf een afstand vanuit hun kassen aankeken. Hij had een soort Einstein-kapsel waarvan maar slechts twee plukken zichtbaar waren, omdat hij een bruine gerafelde puntmuts op zijn hoofd droeg. Nou ja, het was eerst een puntmuts geweest, maar die leek compleet te zijn verdwenen omdat er nu een kleine ronding zichtbaar was met opstaande rand. De puntmuts leek ooit wel bewerkt te zijn geweest met een stoeptegelhamer of zoiets. Maar dan wel zo grondig dat de afdruk van die klap nooit meer verdwenen was. De ronde deuk die de punt compleet leek te hebben doen verdwijnen, zorgde er blijkbaar ook voor dat er een knik halverwege het midden van de muts was ontstaan, die ervoor zorgde dat puntmuts naar voren geknikt was, zodat de ronding nu recht naar voren wees. Dit in combinatie met zijn bejaarde uiterlijk en zijn duffe, domme en slaperige blik die in zijn smaragdgroene ogen lag, maakte hem een nogal niet al te intelligente verschijning. Zijn aparte kledij bestond uit halfhoge zwarte laarzen die vanonder zijn zwarte dichtgeknoopte reismantel uitstaken die tot net boven de grond eindigde, zodat hij er net niet over zou struikelen wanneer hij rondwandelde.
Dit scheen de man echter totaal niet te deren, want de lantaarnpalen die hij passeerde waren niet aan. Dus dat hield gelukkig voor hem in, dat eventuele vroege vogels hem toch niet goed zouden kunnen zien en waarschijnlijk waren de mensen die hier woonde toch te duf, want wie ging er nu zo vroeg de deur uit op een natte, koude zondagmorgen? Maar toen hij hierover even had nadacht en toen verder de straat inkeek, begon hij het toch wel vreemd te vinden dat dit alléén in deze straat het geval was; hij kon zich niet herinneren dat hij hetzelfde in de voorgaande straat óók had gezien.
Tja, hij ging er daarom maar vanuit dat deze straat op zijn omgeving slechts een opmerkelijke uitzondering vormde, al vond hij dat een te kortzichtig en dubieuze gedachte die hij daarom vrijwel meteen als onwaarschijnlijk achtte.
Het werd pas helemaal vreemd – en dat maakte zijn humeur er niet beter op – toen hij zag dat er maar enkel twee lantaarnpalen waren die wél nog licht afgaven en hem vanaf een afstand toeschenen als zwevende bollen geelgoud licht. Hij passeerde aan weerzijde van de weg nog meer lantaarnpalen waarvan het licht gedoofd was. Een miniem belletje rinkelde in zijn onderbewustzijn en zette al zijn zintuigen meteen op scherp, omdat zijn lichaam hem het alarmerende gevoel gaf, dat deze situatie alles behalve normaal was. En vrijwel meteen verwierp hij zijn eerdere belachelijke gedachte, die hij tegelijkertijd te dubieus en kortzichtig gevonden had.
Een flink aantal gevorderde schreden en verscheidende tientallen voetstappen later, begon hij zijn eerdere verwachting dusdanig ernstig te betwijfelen, dat hij even dacht dat hij wel nog stommer moest zijn dan een idioot om nog maar te denken dat dit in de lijn van het gebruikelijke viel oftewel het normale. Want nadat hij nog méér lantaarnpalen gepasseerd had die aan weerszijden van de weg hun lichten achter hun kappen hadden gedoofd, liep hij instinctief op de groter worden bolletjes licht toe en stapte even later verbaasder dan hij óóit was geweest, in de enige lichtbundel die de straat nog maar rijk was. In het schijnsel van de lantaarnpaal knarste er opeens iets onder zijn schoeisel dat – zoals al eerder gezegd – uit zwarte halfhoge laarsjes bestond die waren gesloten met gouden gespen.
Door het vreemde geluid dat op iets korreligs leek, tilde de oude man verbaasd zijn benen één voor een op en leunde kromgebogen tegen de lantaarnpaal, terwijl hij onderzoekend naar de zolen van zijn laarzen keek. ‘Hmmm…’ mompelde hij met een oude, hese stem en bekeek de zolen één voor één nogmaals met een vertrokken blik waarin iets lag van afgrijzen. Onder het schoeisel zag hij op het oppervlak van zijn zolen iets zitten dat leek op as en dat betekende dan weer op zijn beurt, dat er iets verbrand of totaal verschroeid moest zijn. Toen verscheen er ineens een vertrokken glimlach vol verrukking op zijn oude, gerimpelde gezicht. Zijn smaragd groen gekleurde ogen, die haast zo donker waren dat het net zwart leek, staarde naar de grond en hij glimlachte opnieuw, ditmaal uitgebreider en ontblote zijn scheve tanden, die toch nog in een goede conditie verkeerde al stond zijn gehele gebit zo scheef als de pest. Hij bukte zich waardoor zijn beide knieën en rug zó vervaarlijk kraakten, dat het menig omstander in deze bedrukkende nachtelijke stilte gehoord zou hebben. Enige voorbijganger, als die er op dit uur überhaupt zou zijn geweest, had bij het horen van dit akelige geluid gelijk zijn toegesneld omdat hij of zij meteen zou denken dat de oude man spontaan zijn rug gebroken moest hebben of in ieder geval zoiets in die trant.
Zijn rechterhand gleed naar de tegels van het trottoir en streken eroverheen om te voelen wat er zo had geknarst. Toen kneep de oude man zijn ogen tot spleetjes en keek ernaar.
Het zwarte spul, dat onmiddellijk een scherpe geur afgaf bij het ophalen van zijn neus, rook verschroeid al dan niet verbrand. Het had iets weg van gemalen houtskool, maar dan nog fijner, eerder fijngemalen stofdeeltjes.
Hij snoof nogmaals, haalde zijn neus op en inhaleerde diep om de geur in zich op te nemen. Plotseling deinsde hij achteruit, haalde verkeerd adem en verslikte zich meteen. Kuchend en proestend boog hij voorover en voelde zijn ogen prikkelen alsof hij allergisch voor het spul was dat daar op de grond lag. De oude man bukte zich opnieuw en woelde met één hand vluchtig en ruw door het spul heen. Hij keek toe hoe de wind met het bovenste laagje speelde en het meevoerde met al zijn kracht; de rest bleef liggen.
Ja, hij had genoeg gezien, besloot hij en stond daarom dan ook maar op. Maar net toen hij dacht dat het slechts as was, begon hij zich echter af te vragen hoe het daar dan kwam en keek bedenkelijk naar de manier waarop de as er lag en natuurlijk ook naar de rest ervan, dat eerder eruit zag alsof het vastgelijmd of aangekoekt was. Dit verbaasde hem echter zó erg, omdat er verder geen sporen van verbranding te vinden waren, dat hij zijn brein op sporenjacht zette en zijn ogen gericht hield op details, hoe groot of klein ze waren. Ondanks dat hij niet wist of het om dierlijke- of menselijke as ging, was het voor de oude man wel al zeker dat het potentieel slachtoffer niet was weggevaagd door een bliksem, want onweren dat had het niet gedaan, daarvoor was het weer nu te mild. Andere oorzaken zoals een mogelijk defect aan de lantaarnpaal was ook niet aan de orde, want die deed nog gewoon zijn werk alhoewel het hem wel opviel dat de straatlantaarn aan de overkant en diegene waar hij nu onder stond, de enige waren die het schenen te doen. Of de rest was uitgezet, dacht de oude man, of alle andere met uitzondering van deze twee moesten het gewoonweg niet doen.
Dit leek hem echter zó onwaarschijnlijk en absoluut onmogelijk, behalve als je in puur toeval geloofde dan, dat hij dat idee gelijk uit zijn hoofd zette en een kort moment terecht dacht dat hij zich weer eens teveel liet gaan omtrent zaken die hem niet aangingen.
Wat geïrriteerd over zijn afwijken wat zijn schema betreft, gaf hij zichzelf wat verstrooid wel tien keer op zijn kop en mompelde dingen als: ‘Ik moet toch echt met pensioen!’ of ‘Ik moet toch echt eens een brilletje gaan aanschaffen!’ Terwijl hij zichzelf nog meer van deze dingen toe mompelde dacht hij er tegelijkertijd aan om maar eens af te zien van het ongeloof over waarzeggerij of horoscopen. Thea Teller, een geliefd en gerespecteerd collega van hem, was een waarzegster die hij steeds meer begon te waarderen en de horoscoop van vandaag loog er dan ook niet om. Hierin somde ze even feilloos op dat hij vandaag maar beter niet de deur uit had kunnen gaan, omdat hem dan, wanneer hij op alles begon te letten, nogal nare dingen te wachten stonden. En de voorlaatste zin, die ze had gezegd tegen hem was dat hem, wanneer hij toch naar buiten zou gaan, nare verassingen om iedere hoek stonden te wachten. Een tip van haar was dan ook om daar niet teveel aandacht aan de schenken en vóóral níét op dingen moest gaan letten die anders waren dan hij gewend was.
En de laatste zien, die nog maar weinig met de horoscooplezing van haar te maken had gehad en ze hem zo had toegezegd, sloeg echt alles. Hierdoor voelde hij zich nu helemaal stom.
‘Professor,’ had ze tegen hem gezegd op een persoonlijke raadgevende toon zoals een moeder bij een kind doet dat een steuntje in de rug nodig heeft, omdat hem iets niet lukken wil: ‘Als ik zo verstrooid was als u, dan zou ik maar heel gauw maken dat ik deze klus geklaard kreeg en wel zó snel, dat u niet eens meer de tijd ervoor hebt om veranderingen of details ook maar even op te merken. Zo houdt u grip op de zaak die u nog af te handelen hebt vanavond.’ Ze nam een pauze en hetgeen nu volgen zou sloeg alles!
‘En het allerbelangrijkste: zo blijft u kalm en raakt u eens een keer niet zo verstrooid. Als u mijn raad opvolgt zult u vannacht tenminste eens een keer goed slapen.’
‘Tja, goed slapen!’ bromde hij bits. ‘Zij, ligt nu nog te slapen. Ja, zij wel…’ Een tikkeltje chaggie wandelde hij verder, maar halverwege de straat draaide hij zich toch nog om en staarde achterom naar de plaats waar hij zojuist nog had gestaan. Wat hij toen zag, maakte dat hij zich wel vijf maal zo slecht voelde als voorheen en bij de gedachte aan zijn horoscoop die steeds meer gelijk begon te krijgen, werd hij helemaal radeloos.
De verschroeide as die op het trottoir had gelegen bewóóg plotseling uit zichzelf, rees vanaf de grond toe omhoog en vormde een haast menselijke gestalte met een hoed, zwarte mantel en cape!
Professor Philoxenia besefte na een minuut of wat pas dat hij met een open gezakte mond naar het fenomeen had staan te staren en deed zijn mond met een klap dicht!
Een angstig voorgevoel borrelde vanuit zijn binnenste omhoog naar zijn borst en liet zijn hart sneller slaan en zijn bloed kolken als een woeste rivier. Zijn hand greep haast instinctief naar de toverstok die hij verborgen hield onder zijn zwarte mantel. Met een zweterige, klamme hand omvatte hij het hout van de toverstaf stevig en staarde afwachtend voor een eventuele aanval of zoiets naar de gestalte die uit de zwarte as was herrezen en naar het huis aan de overkant van de weg staarde. Dit bezorgde hem zo’n erbarmelijk slecht voorgevoel in zijn maag, dat hij er haast misselijk van werd, al was het alléén maar omdat hij gewoonweg alles aan dit alles niet vertrouwde. Het feit dat de uit as ontstane gedaante hem niet kon zien of niet leek te zien omdat hij zich meer gefocust hield op het huis aan de overkant, zag hij kans zich weer enigszins te ontspannen, maar liep nu beduidend langzamer dan voorheen in diezelfde richting, maar stak als list de straat over om maar niet op dezelfde stoep te hoeven zijn en deed net of hij de straat uitliep om de gestalte om de tuin te leiden, maar die leek te niet door te hebben. Toen de professor een eindje terug was gelopen, hoorde hij in de stilte ineens herenschoenen- of laarzen op het wegdek klakken.
Zijn voorgevoel zei hem dat het was wie hij dacht dat het zou zijn en draaide zich met een ruk op om. En jawel – aan de overkant van de weg zag hij de plaats waar hij eerder gestaan had – de vierkante meter waar als enige het licht van de lantaarnpaal die boven hem had uitgetorend nog brandde en daar, onder die lantaarnpaal bij het huis, stond de man die nu een meer vaste menselijke vorm had aangenomen.
Snel begon hij hardop tegen zichzelf te praten, in de hoop de gestalte af te leiden en hem bij het huis weg te lokken, want een onbehaaglijk voorgevoel dat hem rillingen bezorgde, zei hem dat die gestalte niet veel goeds beloofde voor de mensen waarop ‘hij’ of ‘het’ het op gemunt leek te hebben.
‘Dat mens heeft verdomme wel makkelijk praten!’ riep hij zo snel uit, dat hij zijn tong haast letterlijk brak over zijn eigen woorden, omdat hij zo snel mogelijk de aandacht van de gestalte wilde trekken. ‘Ik ben weer diegene die vanwege mijn functie op kan treden en mag verschijnen op plaatsen waar iets vreselijk is gebeurd of ooit was gebeurd! Hoewel ik er wel eens vaker eropuit heb gemoeten voor zaken die afkomstig waren van verschillende opdrachtgevers door heel het land, is dit toch wel de meest macabere, de meest lugubere achtergrondgeschiedenis die een zaak maar kan hebben en daarmee krijgt het natuurlijk weer de hoogste prioriteit toegekend en ik mag het weer gaan onderzoeken!’ riep hij zo gepikeerd mogelijk. ‘Waar het ook is en hoe ik het doe, tja, dat moet ik maar zelf uitzoeken, als ik het maar oplos zonder dat ik gesnapt of gezien word, natuurlijk. Maar tja, nu ben ik wél overduidelijk in het zicht, maar gelukkig, –’ Hij maakte een wild obsceen handgebaar naar achteren en vervolgde toen nóg sneller sprekend: ‘ben ik dat nog niet… Ja, nog niet, zeg dat wel!’
Haastig veegde hij het speeksel af, dat met liters tegelijk en in één gigantische onophoudelijke stroperig stroompje doorzichtige vloeistof richting het oppervlak van het trottoir droop, waar inmiddels een smerige vochtige plek zichtbaar was geworden. Met de rug van zijn hand veegde hij zijn kin af en tuurde naar de overkant van de straat, waar hij de gestalte als eerste gadesloeg. Die leek hem even gefronst aan te kijken, al was dat moeilijk te zeggen, omdat zijn gelaat schuilging onder een donkere schaduw.
Hij liep gedecideerd verder. De professor, die kosten wat het kost die man daar weg wilde houden, begon nu luider dan hij óóit had gedaan tegen zichzelf te praten, om maar de aandacht van de ‘persoon’ te krijgen en sloeg zo’n meelijwekkende, gestoorde toon aan dat, als ook maar iemand anders hem gehoord zou hebben, ze hem gelijk hadden afgevoerd naar een gesticht voor geestelijk gestoorden en mentaal zieken.
‘En zoals verwacht heeft ze me natuurlijk weer net géén tips verschaft over het wat te doen zodra ik er zelf in betrokken raak!’ riep hij met een piepende oude stem uit, die zo samengeknepen was dat zijn keel er al meteen zeer van deed. De professor keek met een angstige paniekuitstraling op zijn oude gezicht naar de gestalte die nu roerloos voor de deur van het huis stond en net eenmaal had aangeklopt, toen amper een seconde later op de eerste etage ineens licht aanging. Hij raakte nu zó erg in paniek omdat hij niet wist wat er zou gebeuren, en ten tweede omdat hij niet wist wat hij ermee aanmoest, zodat hij op het trottoir heen en weer begon te rennen en al zijn frustratie over zijn taak eruit gooide in woorden die zó snel werden uitgesproken, dat ze amper te volgen waren! Menig omstander zou veel moeite moeten doen om een lach te onderdrukken. Ze zouden even vertwijfeld en met opgetrokken wenkbrauwen en serieus ernstige bedenkingen naar het komische tafereel hebben gekeken en er meteen niet meer aan twijfelen, dat het voor deze gestoorde, oude man beter zou zijn, zijn laatste tijd in dit leven in een gesticht door te brengen. Voor professor Philoxenia viel er echter bitter weinig te lachen, want hij moest en zou dat ‘ding’ daar voor die deur zien weg te krijgen, want het begon er verdacht veel op te lijken dat die persoon zijn taak om die bewoners daar weg te halen, aardig kon dwarsbomen en dat mocht natuurlijk niet gebeuren! Totaal in paniek zocht hij naar een methode en zocht in zijn reismantel. Hij was op zoek naar grote sokken. Toen hij die na veel gemartel gevonden had in zijn linkerzak, in plaats van zijn rechter, benadrukte dat voor hem nogmaals hetgeen wat zijn horoscoop hem had verteld en trok woedend de sokken over zijn laarzen. Verbaasd over het gemak waarmee dit was gegaan, wandelde hij snel nog iets verder richting het huis, stak zo behendig als een zwarte kat de straat over en zag zo kans achter de rug van de gestalte te komen, die ondertussen nog steeds geduldig stond te wachten, totdat er open gedaan zou worden.
Met een hartslag die wel ver boven de driehonderd slagen per minuut leek te liggen, wachtte hij angstig, maar uiterst waakzaam op het moment dat de glanzende zware donkergroen geverfde houten deur zich zou openen. Vanonder zijn mantel haalde hij alvast zijn toverstaf tevoorschijn, omklemde die opnieuw stevig en hield hem in zijn rechterhand naast zijn lichaam, bekeek hem even, stak hem weer weg onder zijn reismantel en hield hem daar verborgen, mocht hij genoodzaakt zijn om bliksemsnel te moeten reageren in een onverwachte situatie.
Kom op, ga nu eens open, dacht hij met een bonzend hart en kneep nu zo hard in zijn toverstaf, dat hij door zijn flexibiliteit een beetje doorboog.
Hij merkte dat hij nu letterlijk stijf stond van spanning en de merkwaardig warme sensatie van adrenaline gemengd met zijn eigen bloed door zijn aderen voelde razen alsof het een ware energieboost was, die hij vergeleek met een dynamo op een fiets die steeds meer energie genereerde, naarmate er wéér een minuut verstreken was.
Opeens ging het raampje in de deur open en zag hij dat er een vrouw van rond de 44 jaar oud, haar hoofd liet zien, terwijl ondertussen de man steeds meer zijn menselijke vorm afrondde en terwijl hij dit alles met een argwanende blik gadesloeg, leek de vrouw het niet eens in de gaten te hebben! Professor Philoxenia voelde een benauwend gevoel in zich opkomen, omdat hij simpelweg gewoon kon voelen dat deze man niets goeds in de zin kon hebben, ofschoon hij nog steeds niets had uitgevoerd waarvoor hij bang had hoeven zijn. Hij hoefde zelfs nog niet één keer zijn toverstaf te trekken! Laat staan om hem ook daadwerkelijk te moeten gebruiken. Maar dat deze man goede bedoelingen had, daar twijfelde hij nogal ernstig aan. ‘Dat kon gewoon niet!’ dacht hij en hield zijn blik strak op de rug van de man gericht. Daarvoor gedroeg hij zich te gereserveerd en bovenal stond hij daar op een manier, die hem totaal niet beviel…
Dit alles baarde hem ernstige zorgen. Deze man voerde iets in zijn schild, dat was overduidelijk, hoewel hij zijn clandestien gedrag goed kon inkleden, vond hij. Daar konden zijn spionnen nog wat van leren, dacht hij enigszins verbitterd, over deze op feiten beruste waarheid.
Want zelfs nu hij daar zo stond, scheen de vrouw geen enkel gevoel van argwaan te hebben en leek ze enigszins ontspannen aan het gesprek deel te nemen en gaf ze gewillig antwoord op vragen die hij leek te stellen. Wat die waren, kon professor Philoxenia maar moeilijk horen; daarvoor was de afstand tussen hen te gering, maar toch kon hij horen dat ze aan het praten waren, alleen hij verstond het niet goed.
Als hij hen duidelijker wilde verstaan, moest hij dichterbij zien te komen, maar dat durfde hij toch niet, besloot hij na een lang zwijgzaam beraad met zichzelf te hebben gevoerd. Je wist immers maar nooit! En hij had nu het beste uitzicht op het tweetal dat hij maar kon hebben, dus hij besloot zich zo onopvallend mogelijk gedragen, zodat de man hem niet in de smiezen kreeg, al leek het daar totaal niet op. Toen hij er snel van overtuigd was geraakt, dat het er toch echt geen schijn van had, dat de man hem hoorde of zag, richtte hij zijn aandacht maar op de vrouw waarvan hij eveneens hoopte dat zij hem óók niet in de smiezen kreeg, want dan zouden er misschien ten onwillens van hem, nare dingen kunnen gebeuren. Wellicht met hem of de vrouw des huizes en dat wilde hij absoluut niet! Daarom besloot hij maar af te wachten wat er verder nog allemaal zou gebeuren.
Nou, lang had hij niet hoeven wachten! Want opeens verscheen de man des huizes óók aan de voordeur; blijkbaar had ze die erbij geroepen. Maar waarom was dat? vroeg hij zich verwonderd af, ‘vertrouwde ze de man toch niet helemaal? En terwijl hij zich dit afvroeg en zijn gedachten liet gaan over hetgeen wat nu zou volgen, had hij blijkbaar niet door dat er ondertussen dat hij afwezig toekeek vanaf de andere zijde van de straat, de vrouw des huizes de vreemdeling iets vroeg.
‘Bent u van de Stichting Resqueëes?’ vroeg ze met een klein stemmetje.
Philoxenia scheen ineens op te schrikken uit zijn overpeinzingen, alsof hij met een naald in zijn achterwerk gestoken was. Hij vestigde zijn ogen nu zó strak op het trio zodat hij er zeker van zijn dat hij niets zou missen als het om visuele details ging. Terwijl hij hen strak aanstaarde, voelde hij in één van zijn binnenzakken.
‘Aha,’ riep hij haast iets te luid toen hij zag dat de vrouw even opkeek vanuit de deuropening, waardoor het gesprek finaal stokte en afgebroken werd.
Professor Philoxenia die zijn adem ineens zó abrupt afbrak dat hij even zwart voor zijn ogen zag en hij een asgrauwe gelaatskleur kreeg door te snel te kort aan zuurstof, sprong snel weg uit het licht van de straatlantaarn en keek vanuit zijn nieuwe donkerde positie die overladen was van een zeer donkere schaduw, haastig naar de vrouw, die blijkbaar moeite moest doen hem in het ochtendlijk duister te onderscheiden van de inktzwarte omgeving die hem godzijdank had gered van de ontdekking. Misschien wel dóór of dankzij zijn kledij en daar was hij maar wat blij mee, vooral toen ze ook nog de speurtocht met haar ogen staakte. En zodoende liet ze hem met zo’n een angstig en onzeker gevoel van twijfel achter, dat hij nu maar vurig hoopte dat zij of één van de andere twee heren, hem niet had gezien, alhoewel hij meende dat de man met de zwarte hoed, mantel en cape, slechts even schichtig achterom had gekeken.
‘Hebbes!’ mompelde hij opgelucht, ditmaal haast tien keer zo stil als voorheen.
Hij haalde twee piepkleine oortjes uit zijn zak die hij even bekeek in zijn gerimpelde handpalm. Kortstondig wierp hij even een blik op het trio dat nu het gesprek weer leek te hebben hervat en bang om iets te missen, wachtte hij nu niet langer meer en propte de oortjes in zijn gehoorgangen en duwde ze tegen zijn gehoorgang aan. De helse steek die dit teweegbracht in zijn beide oren lieten hem haast door de grond zakken van pijn, maar hij bleef recht opstaan met tot spleetjes geknepen ogen en probeerde zijn concentratie nu te richten op wat hij hoorde, maar dat was makkelijk gezegd dan gedaan!
De ‘rode oortjes’ zoals de piepkleine afluisterapparaatjes werden genoemd, zouden in elke omstandigheid het geluid zo overbrengen naar de drager van de apparatuur dat het net was alsof hij naast de mensen stond, ongeacht de afstand die het tussen beide moest overbruggen om het gewenste effect te bereiken. Dit effect maakte het mogelijk om gesprekken van heel veraf of die net buiten de gehoorafstand lagen, fatsoenlijk en zonder enige moeite te horen en belangrijker nog, te verstaan. Van het eerste merkte professor Philomena zeker wel wat, want het was net alsof hij naast het trio stond dat aan het praten was want hij hoorde de geluiden die ze maakte beter, maar hij verstond nog steeds geen woord van de inhoud.
Dit stelde hem zo teleur, omdat hij nu wel genoodzaakt was om dichterbij hen te komen, uiteraard zonder dat ze hem hoorde of zagen. Tja, en ook dit was weer een probleempje dat overwonnen moest worden, wilde hij zijn taak nog op een goede manier ten uitvoering brengen. Wat dat hij echter steeds vreemder begon te vinden, was dat die man schijnbaar nogal veel van de ouders van het joch dat daar woonde wilde weten. En dit was een verdacht gegeven dat bij hem meteen de alarmbellen opnieuw liet rinkelen.
Misschien, dacht hij met een verontrustend hol gevoel in zijn maag, was deze vreemdeling een bendelid van die ene grote organisatie, die waarvan ze de herkomst en het doel niet van wisten. Wellicht was deze man een spion van deze ene organisatie… deze gevreesde organisatie waarvan zij zo weinig wisten. Wat ze wel wisten, was dat deze nieuwe onbekende organisatie het vooral gemunt had op de jeugd van het land waar hij, professor Philomena, zelf ook vandaan kwam. Vooral spijbelende jeugd en alleenstaanden- en weeskinderen waren vanaf het begin hun doel geweest, zo had hij in een eerdere, mysterieuze en een inmiddels verjaarde zaak, al meteen doorgehad.
En terwijl hij hieraan terugdacht, schoot hem een idee te binnen. Hij griste snel naar zijn toverstaf, draaide die met de punt naar zijn borst toe en riep toen zachtjes en haast onverstaanbaar: ‘Transfor Ouddus Maxima!’
Er volgde een zachte plof waarop zijn lichaam begon te draaien als een wervelwind en Hij voelde dat hij draaierig werd in zijn hoofd en verloor even zijn richtingsgevoel compleet. Professor Philoxenia greep met beide handen naar zijn maag, omdat hij het gevoel had dat zijn hele lichaam werd samengeperst. Hij hoopte maar dat het gauw zou stoppen, want hij voelde zich na zo’n slordige duizend maal volledig te hebben geroteerd op die ene één vierkante meter waarop hij had gestaan, zich zo misselijk en beroerd worden dat hij dacht dat hij de hele boel zo misselijk als een hond zou onderkotsen als het draaien eenmaal gestopt zou zijn. Ondertussen voelde hij zich kleiner worden met de minuut en het leek alsof al zijn botten en spieren opeens samengeperst moesten worden om te passen en het verbaasde hem dat het nog zo gemakkelijk ging, maar ondanks het doel wat hij ermee hoopte te bereiken, wenste hij vurig dat het zo spoedig mogelijk zou stoppen. Nadat het scheen leek wel een eeuwigheid geduurd te hebben, voordat hij eindelijk opgehouden was met rondtollen alsof hij een trekpop op een been was geweest en gelukkig was het samenpersen van zijn lichaam ook gestopt, want het had dusdanig onprettig aangevoeld dat hij daardoor het gevoel had gehad, alsof zijn lichaam compleet door een smalle trechter was gehaald en daarna nog eens was aangestapt. Even later stapte uit de stofwolk een kleine man, met een lange, brede grijze baard die spitsvormig eindigde en zodoende leek op een driehoek die met de punt naar de grond wees.
Hij droeg een driedelig pak alsof hij net terugkwam van een zeer laat geworden feestje(en zo voelde hij zich eigenlijk ook. O, man het leek wel als hij teveel gedronken had op dat ‘feestje’!) Op zijn hoofd droeg hij een enigszins verfomfaaide bolhoed.
Opeens dacht hij eraan om zijn toverstaf terug te stoppen onder zijn reismantel, maar in plaats daarvan trof hij in zijn dominante hand een knokige wandelstok aan.
Geschrokken taste hij in alle zakken van zijn colbert en vond een witte plunje die uit zijn rechterborstzak obsceen omhoog stak. Toen trof hij hem uiteindelijk in de binnenzak van zijn colbert ongeschonden aan. Professor Philoxenia slaakte een diepte zucht van opluchting. Tja, je wist immers maar nooit hoe zo’n gedaanteverwisseling zou kunnen verlopen. Bij veel beginnelingen was die weleens fout gegaan, zo wist hij, gelukkig met maar zeer weinig ernstige gevolgen. Lichtere bijzaken kwamen wel voor zoals misselijkheid. Vaak had dit een lichte verwonding ten gevolg van vallen of draaien.
Deze ongelukjes of beginnersfoutjes tijdens trainingen, hadden vaak maar kleine gevolgen. Soms ging het zelfs nog fout bij ver gevorderden; bij hen vaak met blijvende (ernstige) gevolgen. Gelukkig was dat hem allemaal gespaard gebleven en voelde hij zich nu niet misselijk, draaierig en samengeperst meer.
Met het doel dat hij moest volbrengen voor ogen, besloot hij maar dat het erbij hoorde, wilde hij dat zijn opdracht goed en wel zou slagen.
Het was immers voor een goed doel; en dat was misschien wel het allerbelangrijkste wat nu telde. Dit gold niet alleen voor hem, maar ook voor de anderen, die net als hij ook dezelfde opdracht hadden gekregen, met als doel die elders tot een goed einde te brengen.
Hij had geen keus.
Hij zou in zijn opdracht moeten slagen, al moest hij er de hoogst mogelijke prijs voor betalen. De opoffering van zijn eigen leven was het minste wat hij voor de jongen kon doen, mocht de zaak onverhoopt alsnog in het honderd lopen. Zolang hij er tot op het laatste moment maar alles aan gedaan had, om die jongen hier het liefst ongeschonden en in leven weg te krijgen en het liefst zo snel mogelijk, want veel tijd was er niet, als hij het visioen van Thea Teller, de waarzegster van Astonishia mocht geloven.
Prothasius Philoxenia – die helemaal niet in zaken als waarzeggerij en horoscopen geloofde – realiseerde zich terdege dat er hem dus weinig anders restte, dan haast te maken zodat hij zijn opdracht voor de tijdslimiet afliep kon afronden.

Aantal keer bekeken: 1151
Waardering: 5.33 op 10
Geef een cijfer:

Alle rechten voorbehouden 2005-2018 - www.verhalenlezen.nl


Verhalen

Wilt u een verhaaltje lezen uit één van de onderstaande categorieën? Klik dan gewoon op een categorie en u komt op de pagina met de verhalen van deze bepaalde categorie.

Verhalen posten

Hebt u zelf een verhaaltje geschreven? Of een onvergetelijke blunder tegengekomen, of iets anders. En je wilt er anderen mee amuseren, lezen? Met verhalenlezen.nl kan dat geen probleem zijn. Klik hier om een verhaal te posten!


Statistieken

Totaal verhalen: 5175
Totaal categorieën: 10
Totaal 14 bezoekers online